familiedocumenten van en voor (achter (achter)) kleinkinderen van Arie Verheul Az. (1872-1950)
zondag 2 augustus 2020
de hutkoffer van opa
Binnenkort volgen misschien een paar verhalen over deze hutkoffer, die ik van mijn oom Kees (zijn jongste zoon) hoop te horen.
zondag 29 januari 2017
De molen van Benthuizen, en de rijbewijzen van Arie Az
Leuke plek om eens te gaan kijken. Meel verkoop in de draaiende molen (en broodbak advies van enthousiaste specialisten), een winkel van Sinkel, een archief, en museumpje met o.a. een authentieke bedstee, en... koffie met héle ouderwetse koekjes!
Korenmolen de Haas
woensdag 21 augustus 2013
Portret
woensdag 20 maart 2013
woensdag 31 oktober 2012
zondag 17 juni 2012
Waarom Arie Az nooit een welverdiend lintje kreeg
Het is een droefgrappig verhaal... over die keer dat de (zogenaamde) kroonprinses Moerkapelle aandeed samen met haar kersverse verloofde, en Arie Az als burgemeester het spelletje meespeelde en zelfs een toespraak hield voor de nep Juliana. Dat gebeurde vlak voor zijn pensioen.
Het werd hem helemáal niet in dank afgenomen. Het lintje dat hij meer dan verdiend zou hebben bij het afscheid, bleef uit. Dat heeft hem lang dwarsgezeten, ook nog toen zijn zoon Arie na de oorlog werd geridderd.
10 aug '24 PS: Wat nog miste in dit korte verhaal was dat het oorspronkelijke plan van het koninklijke paar was om o.a. Moerkappele aan te doen, maar dit op het laatste moment werd gecanceld. Anders waren ze vast niet op het rebelse idee gekomen.
PS: er blijkt ook een Wikipedia pagina te zijn over Arie Verheul Az: https://nl.wikipedia.org/wiki/Arie_Verheul_Az. met een verwijzing naar dit blog (!)
woensdag 18 april 2012
Ervaringen in oorlogstijd
(uit: Ambtelijk verslag van den ex-assistent-resident van Singkawang, West-Borneo.
Mr. A. Verheul)
"Het was eind Mei 1940 toen ik het bestuur over de afdeeling Singkawang aanvaardde. Iedereen was toen nog diep onder den indruk van de catastrophale gebeurtenissen in het moederland; bovendien duchtte menigeen een spoedige invasie van Japan in Nederlansch-Indië.
(...)
Op den morgen van 8 december 1941 werd de radiorede van den Gouverneur-Generaal aangehoord en z.v.m. schriftelijk vastgelegd.
(...)
Op 19 Dec 1941 werd Pontianak door de Japanners gebombardeerd; honderden burgers lieten het leven. Dit bombardement bracht de schrik er in, ook bij de bevolking der afdeeling Singkawang. Het leven werd geheel ontwricht. De toko's werden gesloten; de pasars werden weinig bezocht; de scholen gingen met vacantie. (...)
In deze donkere dagen van December 1941 en Januari 1942 werd de aandacht van het Bestuur toegespitst op de volgende onderwerpen:
a. voorlichting van de bevolking
b. invoer en distributie van voedsel.
c. bescherming tegen luchtgevaar.
d. zorg voor de openbare veiligheid.
(...)
Medio Januari 1942 deelde de Overste mij mede dat de Dajaksche kampongs, gelegen ten Noorden van Sanggau, door brand vernield moesten worden. Ik maakte hiertegen bezwaar in het belang van de bevolking, maar dit mocht niet baten. Daarop deelde ik den Overste mede, dat de vernieling door de militairen zelf moest plaats hebben, nadat zij door het Bestuur was voorbereid en nadat de bevolking zou zijn schadeloos gesteld.
(...)
Keeren we terug naar Singkawan op den avond van de invasie (27 januari). De Controleur, de heer Van den Brink en schrijver dezes, (met de politie) leken de eenige bewoners van de stad. Wij zaten vóór mijn woning, de eenige die verlicht was. Onze huisbedienden hadden we opdracht gegeven zich tijdelijk terug te trekken in de kampongs, maar zij weigerden en bleven bij ons. De telefooncentrale was nu vernield, zoodat wij volkomen afgesloten waren van de buitenwereld. Om 7 uur des avonds hoorden we de eerste geweerschoten, die weldra aangroeiden tot een hevig vuur. (...) Daar het geen zin had als non-combattanten te midden van strijdende troepen te blijven, gaven wij bevel aan de politie zich terug te trekken buiten het tooneel van den strijd en gingen wij naar het Missie-hospitaal even buiten de hoofdplaats gelegen. (...)
Na korten tijd hield het vuren op; de electrische stroom werd afgebroken; de centrale was vernield door onze aftrekkende stadswachters.
Een angstige stilte viel over de duistere stad.
(...)
Na rijp beraad kwam ik tot de conclusie, dat de eenige positieve daad, die we op dat moment als niet-strijdenden konden doen, bestond in het aanbieden van onze hulp voor de gewonden.
Daarom vroeg ik wie bereid waren mee te gaan voor dit doel.
Daarvoor meldden zich: de heeren Van den Brink en Mooi, de Broeder-Overste (P. Compiet), Broeder Odulfus (C. Ribbens), Zuster Jacobi (Mej. Somers), Zuster Celine (Mej. Mutsaers) en Zuster Cunegondis (Mej. Van de Krom) en voorts twee Inheemsche ziekenoppassers, wier namen ik helaas niet weet.
Met twee draagbaren vertrok deze stoet van het hospitaal in de richting van den onbekenden vijand. Nabij mijn woning stootten wij op een troep Japansche soldaten met glimmende bajonetten en met veel gras op hun helmen en uniformen gestoken.
(...)
Na een uur wachtens werd ik binnengeroepen. Daar zaten een drietal Japansche officieren achter een tafel, die verlicht was met kaarsen. Er was een Japansche tolk, die slecht Maleisch sprak en een zeer ongunstig uiterlijk had. Deze drukte mij een revolver op het voorhoofd, zeggende dat ik zou worden gedood als ik de verlangde inlichtingen niet dadelijk gaf. Gedurende het onderhoud richtte hij het wapen eenige malen op mijn borst; eenmaal werd de ondervragende officier zoo boos dat hij een der brandende kaarsen van de tafel naar mijn hoofd wierp. (...) Op al deze vragen antwoordde ik dat ik het niet wist, waarop de vreeselijkste bedreigingen volgden. Ik kan niet zeggen dat deze veel indruk op mij maakten en het was dan ook niet moeilijk te volharden in mijn onwetendheid.
(...)
Den volgenden morgen werd ons vergund ons neder te zetten op de banken aan de buitenzijde van de houten schuur, die ons nachtverblijf was geweest. Wij konden de Japansche troepen zien aftrekken in de richting van Pontianak en Bengkajang. De Inlanders waagden zich schoorvoetend op straat; zij namen van ons weinig notitie. Onze huisjongens daagden op en wierpen ons cigaretten toe.
Een Nederlandsch vliegtuig verscheen boven de stad en dreef af in de richting van de zee. Het was de laatste groet voor vele jaren!"
(...)
(wordt vervolgd)
zondag 26 februari 2012
Grootvader Arie Az in beeld
vrijdag 17 februari 2012
foto's vanTimor
Arie Verheul (van Indië) werkte in Kupang en woonde daar met zijn vrouw Jo Hebly en kinderen Arie, Ria, Hans en Kees.
De foto's komen uit een album van Christine Abels. De fotograaf was haar vader, P.C. Abels. De gelegenheid was vermoedelijk een verjaardagsfeestje in Kupang.
(klik op de foto voor vergroting)
![]() |
| helemaal rechts, van boven naar beneden: Hans (neus peuterend), Ria, Arie. |
![]() | ||||||
vanaf rechts: Arie (speels gebaar), Ria en Hans, (....) en uiterst links vriendinnetje Tine Theijs.
|
![]() | |||||||||||
| Arie Verheul (van Indië), dochter Ria, en twee vriendinnetjes |
![]() |
| vanaf rechts: Hans, (...), Ria, Tine, (...) |
Wie is wie (3)
Arie Verheul Az. (1872-1950) 'Arie Az' op dit blog. Gehuwd met Cornelia Oudijk.
|
Gerrit Verheul (1898-1974) Gehuwd met Janna Cornelia van Dieën.
(+ 8 broers en zussen, zie: familieregister)
|
Bep Verheul (1926) Gehuwd met Kees Groen (overleden in 2004).
|
Yolande Elliot (blogger op dit webblog)
.
dinsdag 7 februari 2012
The Australian branch of the Verheul tree
woensdag 25 januari 2012
Wie is wie (2)
Arie Verheul Az. (1872-1950) 'Arie Az' op dit blog. Gehuwd met Cornelia Oudijk.
|
Gerrit Verheul (1898-1974) Gehuwd met Janna Cornelia van Dieën.
(+ 8 broers en zussen, zie: familieregister)
|
Janny Verheul (1936) Gehuwd met Kees Schaper.
|
Esther Schaper (blogger op dit webblog)
.
Herinneringen aan mijn grootvader Arie Verheul
Grootvader Arie Verheul geboren 26 juli 1872 in Moerkapelle, overleden 9 oktober 1950 in Zeist. Arie Verheul was van 1903 tot 1935 burgemeester van de gemeente Benthuizen en Moerkapelle in de provincie Zuid-Holland.
(NB: klik op de plaatjes voor een vergroting)
Bij tante Lij en opa was iedereen welkom. Kinderen, kleinkinderen, vrienden en vriendinnen. Sommigen kwamen voor een weekje anderen mochten blijven zolang het nodig was. Daarbij denk ik Hertha, het joodse meisje. Opa en tante Lij hebben daar later nooit over gesproken. Het waren lieve en dappere mensen.
Ik bewonderde mijn Opa om zijn mooie witte haardos. Als het koud was en de kachel ’s ochtends gestookt moet worden, haalde hij steenkolen uit de bostuin. Meestal was hij nog in pyjama en daarover een donkerrode ochtendjas. Voor mij leek hij dan de Kerstman. Ik vond hem dan een heel mooie opa.
Op 23 april 1946 heeft opa in mijn poëziealbum geschreven. Dat hebben toendertijd vast meer opa’s en oma’s gedaan, maar mijn opa heeft naast een lieve wens ook een sigarenbandje geplakt met zijn fotootje erop. Dat was voor mij heel bijzonder.
Perro.
Bij opa was Perro, ik dacht een cockerspaniël, een lief braaf beest, dat wij graag samen met opa gingen uitlaten. We wandelden dan naar de Stuifheuvel, die was aan het eind van de Oranje Nassaulaan. Het was een heuvel waar je via paadjes rondom de top kon bereiken. Je had dan mooi uitzicht over de bossen. Vele jaren later gingen we met onze kinderen er nog eens kijken “. Is dat nu die hoge heuvel ?“ zeiden ze. In mijn verbeelding was hij vroeger veel hoger en mooier. Overal waren huizen gebouwd. Ook de bostuin van Opa Verheul grensde nu aan de tuin van de achterburen, daar kon je niet meer zomaar het bos in lopen. Het huis staat er nog steeds en er is aan de buitenkant niet veel aan veranderd. Bij de hertenkamp was het ook goed toeven.
donderdag 29 december 2011
Brieven uit Atjeh
Deze Brieven uit Atjeh werden ondertekend met het Maleise 'Nja' Oebit', zijn pseudoniem, wat 'de kleine' betekent.
Was hij zo klein, of was hij misschien gewoon bescheiden van aard?
Sommige teksten waren erg lang, andere een stuk korter. De onderwerpen varieerden van belangrijk en serieus tot onderhoudend.
Hieronder twee van de kortere brieven, een gescand, en een uitgetypt.
(klik op de scan voor een vergroting)
Een Atjeher is iemand,
die bang is voor niemand.
Want waarlijk, wat den Atjeher onderscheidt van de meeste andere Inlansche volken, is zijn grootere individualiteit en meer zin voor onafhankelijkheid.
Maar ik wil je niet vermoeien met een dorre opsomming van karakter- eigenschappen van den Atjeher, want zulk een opsomming zou volledig noch juist kunnen zijn en bovendien geen zuiver beeld geven van dit volk.
Laat ik je liever vertellen hoe wij deze menschen hier zien in het dagelijksch leven.
Stel je het voor het volgende tafereeltje:
Ik zit op mijn kantoor en schrijf....
Daar wordt de deur zacht geopend. Een Atjeher komt langzaam binnen. Het is een man uit het volk, zijn lichaam is vuil, zijn kleeren zijn smerig en gescheurd en hangen scheef en onzeker om zijn lijf; zijn rimpelig verweerd gelaat heeft harde en scherpe trekken, in zijn glinsterende oogen zit iets koud-standvastigs.
Eenigszins wantrouwend neemt hij de vreemde omgeving op.
Bij mijn opkijken heft hij de rechterhand op en brengt die in verticalen stand boven zijn hoofd. Dit is een poging om den militairen groet na te doen, want deze wordt onder de Atjehers gebruikt tegenover den Europeaan, wanneer men dezen eerbied wil toonen.
Ik schrijf nog even door, alvorens den man te woord te staan. Hij staat nog wat onwennig te kijken en begeeft zich dan rustig naar de stoel die staat aan den anderen kant van mijn schrijftafel en zet zich daarop met een gebaar van verzekerdheid.
Wanneer ik dan nog doorschrijf, spreekt hij me aan en begint ongevraagd een verhaal te vertellen.
Eindelijk is de lange dienstbrief af en leg ik de pen neer. Ik begin het onderhoud met de mededeeling dat naar Europeesch gebruik een vreemde stoel alleen wordt geoccupeerd na een uitnoodiging daartoe, zoodat hij beter doet mij staande zijn verslag te doen. Dit doet hij gewillig en houterig en onderwijl vertelt hij verder.
Na afloop van het onderhoud krijgt de kantooroppasser een schrobbeering omdat hij niet op de deur gelet heeft, want sinds lang heeft hij strenge orders om te zorgen dat er niemand ongevraagd binnengaat.
Want zulke pogingen om binnen te dringen komen dikwijls voor; ja, ook de huizen er ambtenaren worden niet altijd ontzien. Maar met kwade bedoelingen zal geen gampong-Atjeher ooit een Europese woning binnengaan, want hij vindt zoo'n huis een wonderlijke en onlogische doolhof van kamers en de manier waarop wij onze deuren en ramen sluiten vindt hij onbegrijpelijk. Dit komt omdat alle Atjehsche huizen denzelfden bouwtrant en dezelfde indeeling hebben, zelfs staan ze allemaal precies in de richting Oost-West. In het donker kennen ze den weg in elkaars huizen en dit levert groot gemak voor den misdadiger.
Een ander voorbeeld van de vrijmoedigheid van den Atjeher.
Een mijner kennissen uit Medan stond aan een Atjehsch grensstration en riep een Atjeher om als koeli zijn bagage te dragen. Hij begon het discours met het gebruikelijke "hé". Een landgenoot van de Atjeher vroeg hem lakoniek in zuiver Europeanen-Maleisch:
"hé, kwé poenja nama: Hé?", waarop een onbeleefd gelach volgde van alle omstaande Inlanders. Mijn kennis zag zich genoodzaakt zelf zijn barang in den trein te zetten en hij vertelt het voorgevallene overal als een merkwaardig stalltje van Atjehsche brutaliteit en opstandigheid.
Maar de klachten die men hoort over deze vrijmoedigheid der Atjehers zijn vele. Europeesche dames, die gaan winkelen op den pasar, kunnen er zeker van zijn dat het verloop van elke transactie met groote belangstelling wordt gevolgd door een toreopje omstanders, want de Atjeher is zoo nieuwsgierig als.... de Hollansche dorpeling.
Voor den rechter verschijnen ze niet jzelden met een flinke sirihpruim achter hun kiezen; zittend op de bank der beklaagden of der getuigen, trekken zij immer met rustige gebaren hun knieën en voeten op de bank om een aangenamer houding te kunnen aannemen. De dienstdoende oppasser maakt hen dan attent op deze ongemanierdheid en gewillig nemen ze daarop de voor een bank normale zithouding weer aan.
Dit zijn alle voorbeelden van verregaand gebrek aan manieren en vormen bij dit volk, want het komt zelden voor dat een Atheher opzettelijk zal uiten gevoelens van minachting voor den Europeaan. Maar dit ruwe optreden kenmerkt ook den omgang tusschen de Atjehers onderling. Toch heeft het feit dat de Atjeher nu eenmaal tegen een Europeaan niet opziet als tegen een lid van een beter menschenras vanzelf zijn invloed.
Ook komen nog wel eens gevallen van opzettelijk uiting van minachting voor. Dat zijn dan altijd kinderen, die een in trein of auto voorbijrijdend Europeaan naschreeuwen met "kafir". Dit woord drukt voor den Atjeher uit den haat en minachting die hij heeft tegen den Hollander, als den ongeloovigen overweldiger ; men zou het eenigszins kunnen vergelijken met het expressieve Fransche woordje "boche".
Wat ik boven schreef heeft natuurlijk alleen betrekking op het gewone volk. Het spreekt vanzelf dat de hoofden, de meer ontwikkelden en ook de handelaars bij hun aanraking met Europeanen zich meer aanpassen aan onze begrippen omtrent beleefdheid en goede vormen.
Hierover later.
vrijdag 23 december 2011
Kerst in 1941
Ik wanhoop er tegenwoordig zo dikwijls aan".
Jo Hebly schreef dit aan haar man Arie Verheul (van Indië) op 20 december 1941. Zij was nog in Nederland met verlof toen de Duitse troepen binnenvielen in1940, een poging om het land alsnog te verlaten mislukte.
En hij was in april al terug gegaan naar Indonesië. Daar zou hij op 28 januari 1942 door de Japanners gevangen worden genomen. Een half jaar verbleef hij in een plaatselijke gevangenis en daarna drie jaar in een concentratiekamp in Noord-Borneo. Al die tijd bleef Jo hem schrijven en bewaarde de brieven ook zelf. Sommigen deden er meer dan een jaar over om hem te bereiken. Van Arie kreeg ze tussen 1942 en 1945 enkele kaarten met een paar woorden in zijn handschrift.
Pas in januari 1946 zouden ze elkaar weer in de armen sluiten.
donderdag 24 november 2011
Ode aan Hans Verheul
Op 14 november j.l. overleed mijn lieve vader Hans Verheul (Johannes Pieter), kleinzoon van Arie Az.
Op mijn blog 'Onzichtbare poten' publiceerde ik een tweegesprek over kunst en schoonheid.
Mijn broer Ekke maakte een site met foto's: in memoriam Mr. J.P.Verheul
![]() | ||||
| 'Pappa door Marieke vanuit haar bed 8-7-'74 |
NB: mijn vader leerde ons behalve muziek maken, o.a. ook goed kijken en natekenen. Op een ziekbed in 1974 oefende ik eindeloos met portret tekenen, en mijn vader poseerde geduldig.
Hij bewaarde altijd onze pogingen, hoewel we die zelf vaak als mislukt bestempelden.
'Nee hoor', zei hij dan, 'helemaal niet slecht!'
zondag 30 oktober 2011
zaterdag 29 oktober 2011
Oma Jo (Hebly)
Jo Hebly (1905-1993) trouwde in 1925 met Arie van Indië, mijn opa,
de oudste zoon van Arie Az.
Met de handschoen wel te verstaan: zij in Holland, hij in Nederlands-Indië.
Een decennium na het overlijden van haar echtgenoot vroegen mijn ouders aan Jo of ze misschien een aantal verhalen uit haar jeugd wilde opschrijven. Ze gaven haar voor de verjaardag een chique schrift. Hieronder vier bladzijden uit dat boek van mijn oma.
Overigens, toen zij haar eerste achterkleinkind kreeg en ik vroeg hoe hij (Jeff) haar nu moest noemen, zei ze:
'Nou, die mag mij dan misschien wel gewoon Jo noemen'. Een vlaag van jaloezie schoot door me heen, dat had ik ook wel gewild!
3 augustus '76
Terugkijkend kan ik niet anders zeggen dan dat ik een
doodgewoon kind was, van doodgewone ouders.
Ik had een goede jeugd, maar in materiëel opzicht geen rijke.
Het inkomen van een onderwijzer, en zeker van een christelijk
onderwijzer, was erg klein. En dat hebben we altijd gevoeld,
b.v. met vermaakte kleren van tantes en andere goedgeefse
dames die het beter hadden. Ik vond dat afschuwelijk!
De band in ons gezin was goed. Ik hield erg veel van
mijn ouders. Moeder was (als ze tenminste niet nerveus
was door eeuwige geldzorgen en het werk dat haar over het
hoofd dreigde te groeien) een gezellige, opgewekte vrouw,
die zo plezierig kon lachen om gekke situaties.
Vader was totaal anders. Hij leek heel ernstig, haast
"stijf ", maar hij had een geweldig gevoel voor humor.
Erg streng was hij wel, voor zichzelf en voor ons.
Hij zag hoegenaamd niets door de vingers wat maar
zweemde naar ongehoorzaamheid of brutaliteit, laat
staan oneerlijkheid. Daar stond een "gevoelige" straf op!
Toch - bij 't opgroeien neigde ik steeds meer naar
hem. Ik had een speciale band met hem, die ik niet kan
omschrijven. Ik had 't gevoel dat we altijd eender dachten.
Soms was een enkel blik van verstandhouding daar
het bewijs van .
(NB: klik op het plaatje voor een vergroting)
Bij mijn vertrek naar Indië woog het afscheid van Vader
mij zwaar, erg zwaar.
En ik heb hem niet meer mogen terugzien.
14 april 1977
Mijn eerste foto, dertien maanden jong. Vandaag
op de dag af 71 jaar geleden genomen: op 14 april 1906!
Ik vind het eigenlijk niet zo'n leuke foto, het "kat uit de
boom-kijkerige" zit er al in.
En er onder, al was dat toen nog niet aan de orde,
mijn "aanstaande" met zusje Lij. Dat zal ongeveer
(ik schat het maar) in 1897 zijn gemaakt.
Wat is het leven een zucht, en , om het met een bijbelse
uitdrukking te zeggen: "hoe vlieden wij daarheen".
Drie prille kindertjes, waarvan ik, oude vrouw, nog
de enig overgebleven ben. Het is verbijsterend, als je
er even bij stilstaat. Maar dat doe je niet vaak.
Ik ben tenminste nog al eens met de toekomst bezig,
alsof er nog jaren vóór me liggen. Ik maak nog
plannen, vooral het huisje in Zwitserland zit me
hoog. Toch voel ik het niet als een bedreiging als ik
dat alles niet zou beleven, want ik ben er vast van
overtuigd dat de heerlijkheid die me dan wacht van
altijd bij God te zijn een onmetelijk geluk is.
.



















































